Oefeningen niveau A1

Italiaanse vlag

Dieci A1 - hoofdstuk 4

  1. verbi in -IRE (gruppo 1) (werkwoorden op -IRE Рgroep 1)
  2. il presente dei verbi in -IRE (gruppo 1)(tegenwoordige tijd  van de werkwoorden op -IRE Рgroep 1)
  3. verbi in -IRE ( gruppo -isc) (2)
  4. il presente dei verbi in -IRE (gruppo 2)(tegenwoordige tijd van de werkwoorden op -IRE – groep 2)
  5. gli aggettivi Рplurale (bijvoeglijke naamwoorden Рmeervoud)
  6. gli aggettivi di nazionalità Рplurale  (nationaliteit bijvoeglijke naamwoorden) meervoud
  7. il verbo dovere¬†(het werkwoord “dovere”)
  8. verbi al presente (tegenwoordige tijd  van de werkwoorden)
  9. dal singolare al plurale (van enkelvoud naar meervoud)
  10. aggettivi che finiscono in -co: il plurale maschile è -ci o -chi? (het meervoud van bijvoeglijke naamwoorden eindigend op -co)
  11. l’avverbio “molto”¬†(het bijwoord “molto”)
  12. l’aggettivo “molto”¬†¬†(het bijvoeglijk naamwoord “molto”)
  13. aggettivi del gruppo 1 (singolare e plurale)( bijvoeglijke naamwoorden groep 1 Рenkelvoud en meervoud)
  14. aggettivi del gruppo 2 (singolare e plurale) (bijvoeglijke naamwoorden groep 2 Рenkelvoud en meervoud)
  15. tre piccole storie – verbi al presente¬†(drie kleine verhalen – werkwoorden in “presente”)
  16. Federico, Matilde e Simona – verbi al presente¬†¬†(werkwoorden on “presente”)
  17. parole che al singolare finiscono con la -e e aggettivi (woorden die eindigen op -e in het enkelvoud en bijvoeglijke naamwoorden)
  18. al ristorante e a cena da un amico Рformale e informale (in een restaurant en bij een vriend thuis Рformeel en informeel)
  19. gli aggettivi Рvero o falso? (bijvoeglijke naamwoorden Рwaar of niet waar?)
  20. due aggettivi (twee bijvoeglijke naamwoorden)
  21. il cruciverba degli aggettivi contrari (het kruiswoordraadsel van tegenovergestelde bijvoeglijke naamwoorden)
  22. le case e gli appartamenti (huizen en appartementen)
  23. gli aggettivi (bijvoeglijke naamwoorden)

Dieci A1 - hoofdstuk 5

  1. c’√® o ci sono?¬†(er is of er zijn?)
  2. √® / c’√® – sono / ci sono
  3. c’√® oppure dov’√®?
  4. c’√® / ci sono: vero o falso?¬†(er is, er zijn: waar of niet waar?)
  5. la preposizione di (semplice e articolata)¬†(het voorzetsel “di” + lidwoord)
  6. la preposizione a (semplice e articolata)(het voorzetsel “a” + lidwoord)
  7. la preposizione da (semplice e articolata)(het voorzetsel “da” + lidwoord)
  8. la preposizione in (semplice e articolata)(het voorzetsel “in” + lidwoord)
  9. la preposizione su (semplice e articolata)(het voorzetsel “su” + lidwoord)
  10. espressioni di luogo Рvero o falso? (plaatsaanduidingen Рwaar of niet waar?)
  11. dove vai? (preposizioni in, a, da)¬†(waar ga je heen? de voorzetsels “in”, “a”, “da”)¬†
  12. vado in Рvado a Рvado al (ik ga naar)
  13. che ore sono? (hoe laat is het?)
  14. che ore sono? -2 (hoe laat is het?-2)
  15. a che ora? (wanneer?)
  16. ci vuole o ci vogliono?
  17. metterci e volerci
  18. espressioni utili – 1
  19. domande e risposte (vragen en antwoorden)
  20. orari Рvero o falso? (tijden Рwaar of niet waar?)
  21. verbi irregolari al presente – io, tu, lui/lei¬†(onregelmatige werkwoorden in “presente”- io, tu, lui/lei)
  22. verbi irregolari al presente – noi, voi, loro¬†(onregelmatige werkwoorden in “presente” – noi, voi, loro)
  23. 51 verbi al presente¬†(51 werkwoorden in “presente”)
  24. preposizioni (vooezetsels)
  25. andare e partire¬†(“gaan” en ” vertrekken”)
  26. andare o partire?¬†(“gaan” of ” vertrekken”?)
  27. luoghi e preposizioni (plekken en voorzetsels)
  28. la mia amica Federica (mijn vriendin Federica)
  29. quanto, quanta, quanti, quante (hoeveel)

!! Kom regelmatig naar deze pagina want nieuwe oefeningen komen eraan !!

Als u vragen, opmerkingen of verzoeken heeft, verstuur een reactie, aub.

Mail mij